Al sinds zijn ontstaan in 2002 is het Blue Note Records Festival (tot vorig jaar nog gewoon Blue Note Festival) meer dan een puur jazzfestival. Organisator Bertrand Flamang doet niet aan hokjesdenken en plaatst elk jaar opnieuw een mengelmoes aan stijlen op de affiche. Maar om stijlbreuken te vermijden werden dit jaar de pure jazz en de crossovergenres gesplitst onder de thema’s ‘All that jazz!’ en ‘All that jazz?’. Zo wordt iedereen door het Blue Note Records Festival bediend van zijn eigen cup of tea.
Woensdag 11 juli was de eerste dag onder de ‘All that jazz?’-noemer. Mochten als eerste het vraagteken achter de jazz plaatsen: Oscar Simonsson en Magnus Zingmark met hun groep
Koop. Geen gekke keuze zou je denken, want de Zweden zijn vooral bekend van hun remixen van jazznummers. Toch zeggen beide heren elkaar ontmoet te hebben door hun liefde voor de authentieke jazz. En als je ze live aan het werk ziet, is dat ook wat er van het podium vloeit. Koop heeft een zeer bescheiden en eerlijke sound die zich doet kenmerken door een liefdevolle manier van musiceren. Simonsson en Zingmark mogen dan wel het brein van de band vormen, ze staan met hun laptop en keyboard achteraan, een beetje in het donker en hebben bovendien elk een vrouwentopje aan. Het is jazz zonder ego’s, waar de solo’s voor honderd procent ten dienste staan van de muzikale compositie.
Het voordeel van een klein festival is dat je je niet hoeft te haasten van het ene podium naar het andere om uiteindelijke twee halve optredens te zien. Op het Blue Note Records Festival ga je na elk optreden eventjes ademhalen of uitblazen tussen de boompjes, genietend van de deuntjes die de dj van die dag door de speakers laat stromen. Op woensdag was dat
DJ Maestro, de Nederlander die wereldwijd bekend staat om zijn warme dansgrooves, en vooral zijn Blue Note Trip-compilaties. Worden de compilaties van oude jazz- en funknummers vandaag de dag naar je hoofd gegooid, dan profileert Maestro zich als een olympisch discuswerper – zijn kersverse Blue Note Trip volume 6 was trouwens de soundtrack van de weg van en naar het festival in de DaMusic-mobiel, we verschoten en genoten vooral van onze aller Louis Neefs die met zijn ‘Sixteen Tons’ vlotjes tussen US3 en Marc Moulin gemixt wordt.
Jazzmuzikanten zijn grofweg in twee soorten onder te verdelen: zij die in biografieën en festivalagenda’s aangeprezen worden omdat ze met deze en die andere grote naam gespeeld hebben, en de grote namen die in de biografieën en festivalagenda’s gebruikt worden om volk naar de jonge namen te lokken.
Erik Truffaz is de laatste jaren van de eerste groep naar de laatste verhuisd. De Zwitsers-Franse trompettist werd op jonge leeftijd beroerd door Miles Davis en heeft minstens twee kenmerken van hem geërfd: de lange, ingetogen noten en de liefde voor de zware, elektronische muziek. Truffaz werd bijgestaan door een toetsenist (afwisselend elektrische en akoestische piano), een elektronische bas, een drummer en op sommige nummers door gastzanger
Ed Harcourt. Truffaz’ muziek is meestal zwaarmoedig en heel vaak gaat hij in zijn composities en live op het podium ook op zoek naar zijn mogelijkheden en grenzen. Zo haalde drummer Marc Erbetta halverwege het optreden een microfoon boven die hij voor zijn mond heen en weer zwaaide terwijl hij woordeloos allerlei geluiden produceerde - noem het free jazz scatten – tot de microfoon op een bepaald ogenblik zelfs in zijn mond belandde. Heeft de zangstijl van Ed Harcourt op de meeste momenten veel weg van de jazzpopstijl van Jamie Cullum, tijdens het nummer
Nobody Puts the Baby in the Corner kon hij voor een lichtpuntje zorgen door een charmante vertolking van de oude swingjazz ten beste te geven.
Helemaal anders ging het er aan toe tijdens het optreden van
The Cinematic Orchestra. Op vlak van composities en muzikale elementen zijn deze jonge gasten ook erg experimenteel, maar zij hebben een sound die helemaal niet zwaarmoedig, maar juist erg hoopvol is. Ze maken lang uitgesponnen soundscapes die door het gebruik van gesamplede strijkers erg zweverig en meeslepend klinken zonder donker te worden. Ze halen duidelijk de mosterd bij producers als Dj Shadow en Dj Krush, maar pinnen zich iets meer vast op de jazz en klinken minder bombastisch: een akoestische bas, een erg bluesy klinkende gitaar en een akoestische en elektronische piano die aangevuld worden met stevig drumwerk. Jazz in jeansbroek, zo u wil.
Nu we het toch over
DJ Shadow hebben, Josh Davis was zelf te gast op het Blue Note Records Festival. Hij debuteerde in de jaren negentig met 'Endtroducing…', een album dat baanbrekend was in het downtempo/soundscapes-genre. Het laatste jaar kreeg hij echter heel wat negatieve kritiek over zich heen. Zijn laatste album kwam nog niet in de buurt van het niveau dat zijn werk in het vorige decennium haalde en zijn optredens waren navenant. Een aangename verrassing dus, om te horen dat hij op dit festival een overzicht van zijn carrière bracht. Nummers van 'Entroducing…', zijn project met U.N.K.L.E., een klassieker als ‘Six Days’ en tracks van zijn laatste album. Dit alles ondersteund met erg gedetailleerd uitgewerkte visuals die achter hem geprojecteerd werden. Bij het begin van zijn show was natuurlijk de hamvraag of hij
Organ Donor zou spelen. Want dat is voor Dj Shadow een pijnpunt: hij maakt enorm veel en enorm goed uitgewerkte muziek, maar overal en altijd staat iedereen op deze hit te wachten. En ja hoor, ergens in het midden van de show klonken de eerste orgelnoten in de grote tent. Maar op de grote schermen waar de visuals geprojecteerd werden, was wit op zwart iets te lezen als “Yeah, I know what you’re thinking. He’s gonna do that Organ Donor routine again. Well, I’ve been doing it on and off since 1997 and it never ceases to rock the house. It’s a crowd pleaser. So do yourself a favor and clap along…’ – een erg vernuftige manier om de critici de mond te snoeren. Dj Shadow doet zijn ding en bracht op het Blue Note Records Festival een best aangenaam optreden.
No comments
Nieuwe reactie inzenden