Prijs voor de Beste Indieband gaat dit jaar naar
Blonde Redhead. Dat behoeft weinig verbazing, als we de rest van de affiche voornamelijk gevuld zien worden door de klassieke mainstream-namen. Niet dat het trio van Blonde Redhead (één derde Japans, twee derde Italiaans) zich dat aantrekt: zij sleuren de marquee doorheen een van waanzin doordrenkt optreden, waarin met een minimum aan instrumenten een massieve geluidsmuur wordt opgetrokken, waarin de stem van de iele Kazu Makino doorklinkt. Jammer genoeg lijdt de groep onder een slecht uitgebalanceerde mix, waardoor de golf van gitaar en drum alles volledig overstemmen tot een monotoon en sonoor geluid. Pas na enkele nummers wordt dit euvel rechtgetrokken, wat afbreuk doet aan de heerlijk manische sfeer die de band schept. Ze hebben ongetwijfeld hun inspiratie gehaald bij grote noise-voorbeelden als Sonic Youth ten tijde van ‘Evol’ en ‘Daydream Nation’, waarbij hun rammelende gitaarriffs zich rondom strakke drumritmes wikkelen. Blonde Redhead live is een belevenis, een totaalgebeuren. Ze trekken je mee in een razende trip doorheen een woeste, wilde wereld, om je vijftig minuten later uitgeput maar voldaan los te laten. Die prijs van Beste Indieband is geen pure formaliteit, maar een waarlijk verdiende titel.
Snow Patrol zal alvast weinig gemerkt hebben van de minder aangename geurtjes die boven de festivalweide uitstegen, nadat ze het vorig jaar op Pukkelpop nog zonder instrumenten moesten stellen, waren nu hun kledingstukken achtergebleven achter de schermen van de luchthaven. Gary Lightbody kon er nog om lachen en vroeg het publiek vriendelijk om een tandenborstel en vers ondergoed. Lightbody is uiterst charmant en down-to-earth, niet meteen kenmerken die je zou verwachten van een band die met
Chasing Cars meermaals het label “hype” kreeg opgespeld. Dat label scheuren ze duidelijk van zich af, Snow Patrol is meer dan de zoveelste look-a-like van Coldplay of Keane en bracht van bij
Hands Open tot
You Are All That I Have een uurlang degelijke popsongs die één voor één staan als een huis.
Chocolate,
Spitting Games,
Shut Your Eyes, het talrijk meegebrulde
Chasing Cars en stadionanthem
Run zijn stuk voor stuk een bewijs van het instrumentale talent van deze Schotten. Een talent dat samen met hun nuchterheid misschien wel eens de reden kan zijn waarom ze nooit groot zullen worden. Niet dat het ons wat deert, wij weten immers al langer dan we met Snow Patrol zowel akoestisch als elektronisch de garantie hebben op een steengoed concert.
Dandyisme was
hot afgelopen Werchter. Dat bewijst ook Brandon Flowers, zanger van
The Killers. Niet te benauwd om in zijn songteksten al eens homo-erotisch uit te pakken - voor alle duidelijkheid, Flowers is een volbloed hetero – maar ook zijn podiumpresence is
tres gay. Part of the act echter, want ook de drie andere Killers zijn op zijn minst kleurrijk uitgedost. Dat bonte karakter zit ook vervat in de springerige popsongs die de band op de enthousiaste wei loslaten. Hitsingle
When You Were Young lijkt een voorbode te zijn van een zegevierend concert, zeker met nummers als
Somebody Told Me en
Bones achter de hand. Maar helaas haalt Flowers tussen alle puntige rocksongs ook tranerige ballads
Sam’s Town en
All The Things That I’ve Done boven, die het tempo van het optreden eventjes compleet neerhalen. Net wanneer The Killers zichzelf erbovenop helpen, laten de boxen vanop de wei het enkele keren afweten. Nietsvermoedend blijft Flowers echter zijn exuberante zelve, en bestookt ons verder met een rits stampers als
Read Your Mind en publiekslieveling
Mr. Brightside. Zolang ze hits als deze blijven produceren, én concerten van dit kaliber blijven afleveren, vergeven we hun dat dandy-kantje volledig.
Met Peter Gabriel op het hoofdpodium was het even ‘battle of the oldies’ op Werchter, maar achteraf waren maar wat blij dat we voor de meest Franse aller Oostendenaren hadden gekozen. ‘Jus de Box’, zo heet de nieuwste langspeler van
Arno, waaruit de achtenvijftigjarige aanvankelijk gretig plukte. Met zijn charismatische stijl die hem eigen is, weet hij zonder moeite een tot de nok gevulde Marquee te entertainen met uitstekende songs als
Mourir à Plusieurs en het huppelende
I’m Not Into Hop. Maar Arno is op z’n best wanneer hij zijn jukebox kan opentrekken, en dus kan uitpakken met zijn klassiekers. Een intiem
Les Yeux De Ma Mère zorgt voor een eerste kippenvelmoment, maar het dak gaat er volledig af wanneer
Bathroomsinger en vooral
Oh La La in gang worden gezet. De jaren lijken geen vat te hebben op de man, die net als zijn songs tijdloos lijkt te zijn. Als bis krijgen we het onvermijdelijke én onweerstaanbare
Putain Putain, dat ingeleid wordt als Beethovens Europese volkslied, maar door zijn nog steeds actuele tekst (“Nous sommes quand même tous des européens”) en meertaligheid in feite even goed kan dienen als het nieuwe Belgische volkslied. Laat voor eens en altijd duidelijk zijn: Arno is het beste argument is tegen een staatshervorming.
Het begin van de
Chemical Brothers-set is als een explosie, met onder meer
Galvanize,
Hey Boy, Hey Girl en
Believe. We vreesden al dat Ed Simons en Tom Rowlands zich er snel vanaf wouden maken. Wat volgde was echter een pareltje van een energieke elektroset vol “Chemical Beats” en intergalactische visuals. Een ranzige zweetwolk was het enige nadeel aan het stomende geheel van knallende beats-‘n-blieps met
Saturate,
Believe en
We Are The Night als ultieme hattrick. Jammer genoeg ging
Private Psychedelic Reel op het einde helemaal de mist in. Desalniettemin brachten de Schueremans favoriete residents ons in een onweerstaanbare trance.
No comments
Nieuwe reactie inzenden